Voor bijzondere groepen werknemers, zoals in de binnenvaart, is het minder eenvoudig om risico’s van valgevaar en de oorzaak (bron) aan te pakken. Er is vaak geen constante stabiele ondergrond en het werken op onbeschermde hoogte bij het laden en lossen (containervaart) kan niet altijd worden vermeden. Een collectieve valbeveiliging (vangnet) is technisch vaak niet uitvoerbaar, omdat op een schip vrije toegang tot het ruim moet zijn om te laden en lossen en een vangnet dit belemmert.


Mogelijke maatregelen die kunnen worden genomen zijn:

  • Het leveren van de juiste middelen en mogelijkheden, zoals een aanduiding van het valgevaar met markering, afscherming van het valgevaar en een instructie over valgevaar. 
  • Het leveren van een goedgekeurde valbeveiliging, een goede stabiele ruimtoegang, het verlichten van de werkplek en het opstellen van korte, maar krachtige werkvoorschriften. 
  • Toezien door de werkgever op het juiste gebruik van deze middelen en mogelijkheden. 

Het juiste gebruik hiervan is voor een groot deel afhankelijk van het veiligheidsbesef (de mentaliteit) van de werknemer die ook verantwoordelijk is voor de veiligheid. Naast bovenstaande maatregelen moet er rekening te worden gehouden met de volgende zaken:

  • Verzorgen van orde en netheid
  • Verzorgen van een veilige toegang tot het schip
  • Verzorgen van een veilige toegang naar het ruim
  • Aanduiding valgevaar bij ongelijke vloeren
  • Maatregelen bij werken op onbeschermde hoogte
  • Het veilig werken in een dynamische omgeving

 

Verzorgen van orde en netheid
Organiseer het werk zo, dat losliggende objecten die valgevaar kunnen veroorzaken, worden opgeruimd. Andere losliggende objecten als slangen en trossen die op het dek liggen, of ladingresten en stuwagemateriaal, die bij het laden en lossen achterblijven, vormen niet alleen valgevaar, maar kunnen ook plekken met daaronder niet zichtbaar val- of glijgevaar zijn. 

Orde en netheid bij onderhoudswerkzaamheden in bijvoorbeeld de machinekamer voorkomt dat de vloer glad wordt en er valgevaar ontstaat.


Afbeelding: Opruimen van spillage?

Het plaatsen van trossenbakken waarin trossen kunnen worden opgeschoten en zelfwindende slanghaspels voorkomen dat trossen en slangen los aan dek blijven liggen. De werkgever moet een goede instructie aan de opvarenden geven over de plicht deze voorzieningen te gebruiken en toezicht te houden op de  naleving hiervan. 

Bij het laden en lossen van containers wordt doorgaans samengewerkt met stuwadoorsbedrijven. Het opruimen van stuwmateriaal en kettingen moet een vast onderdeel zijn van de afspraken die bij het samenwerken met deze bedrijven worden gemaakt. Het geven van instructie en voorlichting moet aan alle werknemers die bij het laden en lossen zijn betrokken (ook de werknemers van de stuwadoors als zij aan boord werken) worden gegeven.

Bij werkzaamheden in de machinekamer is het morsen van smeermiddelen (spillage) op de vloer snel gebeurd. Dit veroorzaakt gladde vloeren met een verhoogd valgevaar. Het direct opruimen met de juiste middelen en voorzorgsmaatregelen voor het milieu voorkomt dat valgevaar optreedt. Hiermee is tevens het brandgevaar weg genomen. In de machinekamer is standaard een voorraad poetslappen voorhanden en kan oliehoudend afval in een speciale opvangemmer worden verzameld. 

Verzorgen van een veilige toegang tot het schip
De uitrustingseisen in de binnenvaartwetgeving schrijven een loopplank voor de veilige toegang tot een schip voor. Voor passagiersschepen zijn hiervoor zelfs aanvullende eisen volgens de EN norm 14206 (conform ROSR).

Het hebben van veilig en gekeurd toegangsmateriaal alleen voorziet nog niet in een veilige toegang. Het niet goed opstellen van de loopplank onder een veilige hoek met alle voorgeschreven middelen, zoals leuningen, vangnetten en het goed borgen van de loopplank, brengt de veiligheid in het geding


Afbeelding: Veilige toegang? 

De veilige toegang tot het schip is in eerste instantie de verantwoording van de werkgever waarbij goed gelet moet worden op de omstandigheden bij de ligplaats. In getijdenhavens is het noodzakelijk de stand van de loopplank goed in de gaten te houden. Door langsscheepse bewegingen kan de loopplank over de kade schavielen (= schuren) met mogelijk schade tot gevolg.

Wanneer schepen naast elkaar gemeerd liggen, moet u rekening houden met gevaren van overstappen. Zorg dat de looproute over het schip goed gemarkeerd is en in het donker de plaats waar u veilig van schip naar schip kan gaan verlicht is.

 

Verzorgen van een veilige toegang naar het ruim
De toegang tot het ruim en het dek van een schip is uitsluitend toegestaan door een vaste trap. Of als dit niet mogelijk is, een vaste ladder, klampen of voetopeningen van geschikte afmetingen. Deze dienen van voldoende sterkte te zijn. Andere deugdelijke toegangsmiddelen zijn ook toegestaan.

Deze zijn, als het mogelijk is, gescheiden van de luikopeningen en moeten goed verlicht zijn. In een donkere ruimtoegang is zelfs op een goed toegankelijke trap valgevaar mogelijk!

Als u via een ladder een ruim betreedt, moet u rekening houden met de leidraad veilig werken met ladders. Een goede instructie over het werken met ladders houdt in ieder geval de volgende aanwijzingen in:

  • Controleer de ladder voor het gebruik op zichtbare defecten.
  • Controleer of de ladder schoon is van ladingresten.
  • Staat de ladder onder een juiste hoek ten opzichte van het horizontale vlak?
  • Staat de ladder op een stevige ondergrond?
  • Heeft de ladder een overlap van enige sporten boven het hoogste dek?
  • Is de ladder op het hoogste dek geborgd?
  • Is een metalen ladder minstens 2,5 meter vrij van onder spanning staande elektriciteit?

Bij weersomstandigheden waarbij windsnelheden boven windkracht 6 BF op de werkplek wordt gemeten moeten werkzaamheden op ladders worden gestopt.

In de binnenvaartwetgeving wordt over klimvoorzieningen het volgende genoemd:

  • Trappen en ladders moeten veilig zijn bevestigd. 
  • Trappen moeten ten minste 0,60 m breed zijn. De vrije breedte tussen de handrelingen moet ten minste 0,60 m bedragen. De diepte van de treden mag niet minder zijn dan 0,15 m. Het oppervlak van de treden moet veiligheid bieden tegen uitglijden en trappen met meer dan drie treden moeten handrelingen hebben.
  • Ladders en klimtreden moeten een vrije breedte van ten minste 0,30 m hebben. De afstand tussen de sporten mag niet meer dan 0,30 m bedragen. De afstand van de sporten tot constructiedelen moet ten minste 0,15 m zijn. Ladders en klimtreden moeten van boven herkenbaar zijn en met handgrepen boven de uitgangsopeningen zijn uitgerust.
  • Aanleunladders moeten ten minste 0,40 m en onderaan ten minste 0,50 m breed zijn. Ze moeten beveiligd kunnen worden tegen kantelen en wegglijden en de sporten moeten vast in de boom zijn bevestigd.



Afbeelding: Ladder opstellen onder de juiste hoek

 

Aanduiding valgevaar bij ongelijke vloeren
Ongelijke vloeren kunnen valgevaar veroorzaken. Bevinden zich aan boord hinderlijke uitstekende delen op of laag boven het vloeroppervlak? Denk hierbij aan: niveauverschillen, afstapjes en profiel van het dek.

Bij werkzaamheden op een werf is het niet ongebruikelijk om mangatdeksels in het dek open te leggen. Ook worden dekdelen vaak tijdelijk verwijderd om bij onderliggende installaties te komen voor reparatie of onderhoud. Deze werkzaamheden worden in overleg met de werf gepland. Het afschermen van deze openingen als de werkzaamheden niet plaats vinden en het plaatsen van markering rondom de openingen schermt personen die aan boord werken van deze gevaren af. Het is wel noodzaak om deze voorzieningen regelmatig te controleren en in stand te houden. 

Ook vaste punten aan boord van een schip kunnen valgevaar opleveren. Bolderdeksels in de gangboorden en hindernissen, zoals bijvoorbeeld randen van traptreden, moeten in een met het omgevende dek contrasterende kleur zijn geverfd. Een goede preventieve maatregel is het alert maken van de opvarenden op dit gevaar door oneffenheden en obstakels opzichtig te markeren. De standaard gevaaraanduiding is een diagonale geel/zwarte streep. Op ooghoogte kan deze markering worden aangegeven met het volgende pictogram:



Het goed verlichten van de obstakels verhoogt eveneens de alertheid van de opvarenden. Inrichtingseisen van een veilige werkplek met betrekking tot het voorkomen van valgevaar is beschreven in de binnenvaartwetgeving. 

 

Maatregelen bij werken op onbeschermde hoogte
Dekken en gangboorden moeten vlak en vrij zijn van obstakels waarover men kan struikelen. Ze moeten zodanig zijn uitgevoerd dat er geen water op kan blijven staan.


Afbeelding: Juiste afvoer van water aan dek

Dekken en gangboorden, machinekamervloeren, bordessen, trappen en de bolderdeksels in de gangboorden moeten veiligheid bieden tegen uitglijden. Deze oppervlakten dienen slipvast te zijn uitgevoerd.  Bolderdeksels in de gangboorden en hindernissen, zoals randen van traptreden, moeten in een met het omgevende dek contrasterende kleur zijn geverfd.

Buitenkanten van de dekken en de werkplekken waar de valhoogte meer dan 1 meter kan bedragen, moeten zijn voorzien van een verschansing van ten minste 0,70 m hoogte of van relingen die bestaan uit een handreling, een tussenregel op kniehoogte en een voetlijst. 

Bij gangboorden moet een voetlijst en een doorlopende handreling aan de dennenboom zijn aangebracht. De handreling aan de dennenboom kan achterwege worden gelaten, als het gangboord voorzien is van een niet neerklapbare reling.

Van werken op onbeschermde hoogte in de binnenvaart is vooral sprake bij het laden en lossen van lege containers. Daarbij is het nog steeds toegestaan een kraan met draden te gebruiken. Bij geladen containers moet altijd een spreader worden gebruikt. Er hoeft dus niemand de containers op om de draden vast te maken. 

Alleen wanneer collectieve valbeveiliging niet meer tot de mogelijkheden behoort, moet worden overgegaan tot persoonlijke valbeveiliging.

De doelmatige persoonlijke beschermingsmiddelen tegen valgevaar worden door de werkgever verstrekt. De werknemer gebruikt de persoonlijke beschermingsmiddelen daar waar voorgeschreven.


Afbeelding: Een heupgordel niet gebruiken in een omgeving waar men kan vallen!

Het handelen van meertrossen en staaldraden brengt grote krachten met zich mee. De kracht van een lier of het gewicht van het schip dat aan de tros hangt is door de menselijke kracht niet te compenseren. De werkgever stelt werkprocedures op om veilig met dekwerktuigen en uitrusting te werken. Bij de lieren worden in begrijpbare taal bedieningshandleidingen geplaatst en wordt de communicatie gewaarborgd door het afstemmen van handsignalen. Bij grotere afstanden dan 25 meter en uit het zicht van elkaar werken worden portofoons ter beschikking gesteld.

Het is van belang dat het goede vakmanschap van de opvarenden en het naleven van de instructies zorgt dat de risico’s bij deze werkzaamheden zo worden beheerst dat hier geen ongewenste gebeurtenissen uit voort komen.


Afbeelding: Zijn de krachten onder controle?

 

Het veilig werken in een dynamische omgeving 
Door scheepsbewegingen als gevolg van manoeuvres, weersomstandigheden, ladingbehandeling en passerende scheepvaart is er aan boord geen vaste ondergrond.

De werkgever geeft instructies over het veilig werken tijdens de vaart en ziet toe op de naleving hiervan. Daarnaast worden doelmatige persoonlijke beschermingsmiddelen zoals veiligheidsschoenen voorgeschreven. Bij het werken aan boord tijdens de vaart is het dragen van een reddingsvest verplicht volgens de binnenvaartwetgeving. Als een opvarende overboord slaat moet in de bedrijfshulpverleningsorganisatie (zie ook het arbo onderwerp bedrijfshulpverlening) rekening gehouden worden met het redden van drenkelingen.

 

Ga naar boven