Inleiding
Binnenvaartondernemingen moeten maatregelen nemen om rampsituaties of calamiteiten te beheersen, en de gevolgen van calamiteiten zoveel mogelijk te beperken. De te nemen maatregelen kunnen worden beschreven in een scheepsbedrijfsnoodplan.

Wanneer er in het scheepsbedrijfsnoodplan meer nadruk op preventie wordt gelegd, kan er met een eenvoudig plan worden volstaan. 

Het scheepsbedrijfsnoodplan omvat een beschrijving van de organisatorische structuur, taken, verantwoordelijkheden en bevoegdheden, communicatie, procedures,de afstemming en eventuele samenwerking met hulp­verlenende externe (overheids)diensten. Deze beschrijving moet bemanningsleden ondersteunen die calamiteiten moeten bestrijden. Het plan moet voldoende flexibel zijn, omdat bij iedere calamiteit steeds weer onvoorziene omstandigheden gebeuren die aangepaste maatregelen vergen.

Het verdient aanbeveling om in samenwerking met de BHV-ers op de binnenvaart afgestemde ongevalscenario’s op te stellen, waarbij rekening gehouden wordt met:

  • De responstijd van de aanwezige BHV-ers om bij een alarmering tot een actieve inzet te komen..
  • De benodigde tijd om tot ontruiming van het schip te komen.
  • Wie gealarmeerd moet worden en volgens welke procedure.
  • Wat het effect is op de omgeving (vaarweg, overige scheepvaart of omliggende infrastructuur.
  • Welke extra voorzieningen nodig zijn om de gevolgen van de calamiteit te beperken voor bemanning en omgeving.
  • Welke voorzieningen moeten worden ingeschakeld om de normale nautische bedrijfsvoering zolang mogelijk te garanderen (veilige vaart om te navigeren).
  • Welke gegevens van de vervoerde lading aanwezig zijn en welke specifieke gevaarlijke eigenschappen de lading heeft.
  • Welke maatregelen moeten worden genomen om te voldoen aan andere wetgeving zoals bijvoorbeeld de Wet milieubeheer.

Het scheepsbedrijfsnoodplan moet beknopt en goed leesbaar zijn en zodanig uitgevoerd kunnen worden, dat het zowel bij echte incidenten als bij oefeningen en trainingen kan worden gebruikt. Voordat een scheepsbedrijfsnoodplan definitief gestalte krijgt, moet de werkgever de aard van de mogelijke calamiteiten in kaart brengen.

Inhoud van het bedrijfsnoodplan
Voor binnenvaartschepen is het niet eenvoudig om een algemeen geldend model op te stellen van een scheepsbedrijfsnoodplan dat overal van toepassing kan zijn. Denk hierbij ondermeer aan de verschillende  scheepstypes. 

Daarnaast geldt ook dat de binnenvaart in internationale wateren vaart met zeer veel verschillende nationaliteiten als een specifiek risico. Het betreft hier vooral het samenwerken en de communicatie in het geval van noodsituaties.

In algemene zin kan een bedrijfsnoodplan omschrijvingen bevatten van de volgende onderwerpen, in hoofdlijnen gerangschikt op organisatie, middelen en mensen:

  • De fasering
  • De bedrijfshulpverleningsorganisatie
  • Bereikbaarheid en communicatie
  • Einde incident
  • Alarmeringsprocedures
  • Beschikbare hulpbronnen
  • Voorzieningen aan boord
  • Veiligheidsplan
  • Vluchtroutes
  • Noodverlichting
  • De bedrijfshulpverlener
  • Externe hulpdiensten
  • Opleidingen en herhalingsoefeningen
  • Oefenen, voorbereiden en onderhoud
  • Medische verzorging
  • Nazorg
De fasering
Het scheepsbedrijfsnoodplan beschrijft de verschillende fases die bij de beheersing en bestrijding van incidenten onder­scheiden kunnen worden. Hierin wordt aangegeven hoe aan boord de eerste melding van een incident moet gebeuren, evenals de onmiddellijke reactie hierop. Ook het inschatten van de situatie en bepalen wanneer het te gevaarlijk wordt om de calamiteit zelf te bestrijden en over te gaan naar het evacueren van het schip is een fase in de uitvoering van de bedrijfshulpverlening die onderkend moet worden!
 
De bedrijfshulpverleningsorganisatie
Het scheepsbedrijfsnoodplan bevat een hoofdstuk dat de bedrijfshulpverleningsorganisatiebeschrijft. Hierin worden de eisen die aan de organisatie worden gesteld en de opbouw ervan vastgelegd. Uitgangspunt daarbij is het aanwezige personeel. Het plan moet afgestemd zijn op het inroepen van hulpdiensten. Houd hierbij goed rekening met de tijd die hulpdiensten nodig hebben om daadwerkelijk aanwezig te zijn. Op het water duurt dit over het algemeen langer.

Voor een effectief functioneren van de bedrijfshulpverleningsorganisatie is een volledig en juist inzicht in de verantwoordelijkheden van iedere functie van groot belang. Deze moeten in het bedrijfsnoodplan zijn opgenomen.

Zo moet de werkgever op de hoogte te zijn van de alarmtelefoonnummers, oproepkanalen en de alarmsignalen. Verder moet bekend zijn wat van de werkgever en de werknemers wordt verwacht in een alarm-/noodsituatie, zoals:
  • Stoppen met werken (maar wel navigatie blijven voeren)
  • In- en uitschakelen kritische apparatuur (brandbluspomp, ventilatie).
  • Bemanning op een vooraf bepaalde verzamelplaats laten verzamelen
  • zodat zeker is dat niemand achter is gebleven.
  • Telefoon of portofoon niet onnodig gebruiken. Overbelasting van het (mobiele) netwerk kan hiervan een gevolg zijn en de hulpverlening bemoeilijken.De werkgever zal op deze punten controle moeten uitoefenen en de bemanning overtuigen van het nut hiervan. 
De werkgever, daarbij ondersteund door aangewezen overige bemanningsleden, neemt de taken van de BHV op zich. In algemene zin is de taakstelling van de bedrijfshulpverlenings­organisatie als volgt:
  • Eigen veiligheid in acht te nemen.
  • Redden van slachtoffers.
  • Evacuatie van opvarenden.
  • Verlenen van eerste hulp.
  • Beperken van schade en letsel.
  • Bestrijden van brand.
 
Bereikbaarheid en communicatie
Om in geval van calamiteiten snel melding te kunnen maken, is het van groot belang dat alarmeringslijsten met belangrijke op de marifoon en telefoonnummers actueel blijven. Deze zullen dan ook regelmatig bijgewerkt moeten worden. Ook de te gebruiken alarmering- en communicatie­systemen moeten in het scheepsbedrijfsnoodplan worden opgenomen. Het scheepsbedrijfsnoodplan moet aangeven hoe met derden buiten de organisatie aan boord zal worden gecom­municeerd of gehandeld, zoals:
  • Procedures om opgeroepen hulpdiensten op de juiste wijze op te vangen.
  • Voorschriften om informatie te verstrekken aan andere vaarweggebruikers.
  • De wijze waarop en door wie contact wordt opgenomen met familieleden van getroffen werk­nemers.
  • Hoe en door wie de pers te woord wordt gestaan.
 
Einde incident
Wanneer is een incident beëindigd? De volgende criteria moeten in het bedrijfsnoodplan zijn opgenomen:
  • Wie mag het incident als beëindigd verklaren?
  • Hoe wordt dat binnen de organisatie kenbaar gemaakt (bijv. door een geluidssignaal)?
  • Wie mag een getroffen scheepsruimte na inspectie vrij geven om weer veilig te betreden?

Voordat hiertoe kan worden overgegaan, moeten, voor zover nodig, afdoende maatregelen worden genomen om sporen van de oorzaak van de calamiteit zeker te stellen. Dit is noodzakelijk om het latere onderzoek niet te bemoeilijken. Bij twijfel dienen de bevoegde overheidsinstanties te worden geraadpleegd, zoals de Inspectie Verkeer en Waterstaat (IVW), Koninklijke Landelijke Politie Dienst (KLPD) en Arbeidsinspectie of in het buitenland de daarvoor bevoegde autoriteit.

 
Alarmeringsprocedures
Het scheepsbedrijfsnoodplan moet waarschuwing- en alarmeringsprocedures bevatten:
  • Oproepen of alarmeren van de aan boord aanwezige opvarenden (gebruik van bijvoorbeeld de scheepshoorn).
  • De manier waarop hulpdiensten kunnen worden gealarmeerd of geïnformeerd (gebruik marifoon/mobiele telefoon).
  • Oproepen van personeel dat een taak heeft in het noodplan (spreekhoorn, portofoon).
  • Oproepen van gespecialiseerd personeel, zoals bemanningsleden die BHV zijn opgeleid.
  • Oproepen van hulp, zoals bijstand door mede vaarweggebruikers waarmee afspraken gemaakt kunnen worden.
 
Beschikbare hulpbronnen
Op de plek waar de coördinatie van de hulpverlening plaats vindt moet u beschikken over overzichten van noodvoorzieningen en mankracht. Een plaatselijke vaarwegbeheerder of brandweerkorps in de buurt dat over een eigen blusboot beschikt, kan met wederzijds goedvinden opgenomen worden in de procedures van het eigen scheepsbedrijfsnoodplan.

De wijze waarop in ongevalsituaties moet worden opgetreden, is vastgelegd in eenveiligheidsrol of alarmrol. Een veiligheidrol is een concrete uitwerking van wat men moet doen, indien er een calamiteit plaats vindt, zoals bij een brand. In een veiligheidsrol is rekening gehouden met de aan boord aanwezige gevaarlijke stoffen, kritieke apparatuur zoals het hoofdschakelbord voor het afsluiten van de stroom, de plaats van de noodpompen en het noodaggregaat, enzovoort.

Een veiligheidsrol wordt door de werkgever beheerd en is, indien nodig, goedgekeurd door de IVW. In het geval van passagiersschepen schrijft artikel 15.13 lid 3 van de Binnenvaartwet of het ROSR dit voor. Ook verladers in de tankvaart kunnen aanvullende eisen stellen vanuit de European Barge Inspection Scheme (EBIS) check.
 
 
Voorzieningen aan boord
Het scheepsbedrijfsnoodplan geeft een beschrijving van de uitrusting en de inrichting van de diverse plekken die tijdens een incident nodig kunnen zijn, zoals:
  • Verzamelplaats gewonden.
  • Verzamelplaats evacués.
  • Plaats waarvan coördinatie wordt gevoerd.
  • Plaats waar veiligheidsuitrusting zich bevindt.
In het scheepsbedrijfsnoodplan wordt verder aangegeven waar de volgende informatie, eventueel aangevuld met een samenvatting wordt gevonden:
  • Beschikbaarheid van bemanningsleden die BHV taken kunnen uitvoeren.
  • Een overzicht en aanduiding van brandbestrijdings­apparatuur (vaste systemen, handbrandblussers, speciale "monitoren", slang­haspels, enz.).
  • Een opsomming van bluswaterpompen, capaciteit hiervan en reservesystemen.
  • Beschikbaarheid en plaats van noodapparatuur, waaronder adembeschermingsapparatuur, vluchtmaskers, beschermende kleding voor brandbestrijding en tegen blootstelling aan chemicaliën, draagbare watervernevelaars tegen verspreiding van gevaarlijke stoffen.
  • Een overzicht en aanduiding van reddingsmiddelen en uitrusting.
  • Een handleiding voor gebruik van veiligheid- en reddingsmiddelen, handleiding voor EHBO behandeling, redden van drenkelingen en beschikbaarheid van EHBO’ers.
 
De veiligheidsuitrusting aan boord dient regelmatig visueel geïnspecteerd en de werking ervan getest te worden. Op het gebied van veiligheid- en reddingsmiddelen is bijvoorbeeld onder het ROSR het volgende van kracht:
  • Artikel 10.03 Draagbare blustoestellen, lid 5. Draagbare blustoestellen moeten ten minste iedere twee jaar worden gekeurd. Hiervan moet een verklaring worden afgegeven, ondertekend door degene die de keuring heeft verricht en waarin de datum van de keuring is aangegeven.
  • Artikel 10.05 Reddingsboeien en zwemvesten, lid 3. Zwemvesten moeten zijn getest in overeenstemming met de richtlijnen van de fabrikant.

Naast de hierboven verplichte inspecties spreekt het voor zich dat de bemanning zelf de plicht heeft om veiligheids- en reddingsmiddelen in goed werkende staat te houden.

 
Denk hierbij aan het testen van het schitterlicht dat aan de reddingsboei nabij het stuurhuis moet zijn bevestigd en waarvan de batterij leeg kan zijn. Het nalopen van de draagbare blussers die wellicht bij een klus aan boord van hun plaats gehaald zijn is ook een punt van aandacht. Maandelijkse controle voorkomt dat in geval van noodsituaties dergelijke voorzieningen onklaar zijn of niet op de aangegeven plaats aanwezig zijn.
 
Veiligheidsplan
Een veiligheidsplan moet in overeenstemming zijn met de gegevens van de veiligheidsrol. De inhoud van de veiligheidsrol moet toegesneden zijn op de eigen situatie en is onder andere gebaseerd op gegevens zoals aantal opvarenden en beschikbare veiligheidsmiddelen. Voor elke werkomgeving waar mensen verblijven, moet een veiligheidsplan zijn opgesteld. Voor een werkschip of vrachtschip geldt dit dus ook.

De volgende zaken worden in een veiligheidsplan vastgelegd:
  • Dekplannen met vluchtroutes.
  • De aanwezige veiligheidsmiddelen.
  • De gevaarlijke stoffen.
  • De meldpunten (handmelders) en (automatische) detectoren.
  • Afsluiters voor ventilatie, elektriciteit, waterdichte compartimenten en een legenda (uitleg van symbolen) met begripsomschrijving. 
Voor passagiersschepen zijn er in artikel 15.13 lid 2 en 4 aanvullende eisen gesteld aan veiligheidsplannen en deze moeten ook voor passagiers beschikbaar zijn in de hutten.
 
Vluchtroutes
Vluchtwegen vormen een onderdeel van het veiligheidsplan. Vluchtwegen zijn bedoeld om een ontruiming ordelijk en efficiënt te laten verlopen met een minimale kans op het uitbreken van paniek. De hulpverlener kent door regelmatige oefening de vluchtwegen en zorgt ervoor dat deze bij een ontruiming worden gebruikt. Hij begeleidt passagiers en bemanning naar de verzamel/ontschepingplek en controleert of alle opvarenden daar aanwezig zijn.
 
Een schip is een beperkte omgeving en opvarenden zijn zelf ook bekend met de veilige routes over het schip. Hierin schuilt het gevaar dat opvarenden zelf de beste route denken te weten bij calamiteiten. Oefen daarom in het opvolgen van aanwijzingen van de hulpverlener.

Een vluchtroute wordt met pictogrammen aangegeven. Bij de periodieke veiligheidscontroles wordt gelet op het vrij zijn van vluchtwegen. Vluchtdeuren of -luiken mogen alleen worden gebruikt als nooduitgang dus niet om de (werk) omgeving te verlaten onder normale omstandigheden. De vluchtwegen moeten goed gemarkeerd worden en mogen niet geblokkeerd zijn of worden.

Een panieksluiting op een deur of luik zorgt ervoor dat deze aan de binnenkant altijd kan worden geopend. Een panieksluiting moet zo zijn uitgevoerd dat deze met een simpele beweging kan worden ontgrendeld.

Sommige luiken en deuren hebben tevens een brand, rook en/of waterkerende functie. Ze zijn er in de eerste plaats om gesloten te blijven. Zo wordt vermeden dat een gevaar zich snel over het schip kan verspreiden. Soms staan deze deuren voor het gemak open en zijn ze zelfs geborgd. Dat is gevaarlijk en de hulpverlener heeft dan ook de taak om tijdens controlerondes deze deuren te sluiten. Er zijn ook deuren en luiken die met een elektromagneet open blijven staan en die met een simpele handeling of automatisch vanuit een centraal punt kunnen worden gesloten. Deze deuren en luiken moeten wel regelmatig worden getest. Ze moeten binnen een paar tellen gesloten zijn.

 
Noodverlichting
Om ontruiming in geval van stroomonderbreking mogelijk te maken, moet een aantal voorgeschreven installaties op de noodstroomvoorziening zijn aangesloten. De op het noodnet aangesloten verlichting gaat automatisch branden als de elektriciteitvoorziening uitvalt. Het doel is om toch nog voldoende zicht te hebben als de normale verlichting niet meer werkt. Hierdoor kunnen paniek en ongevallen worden voorkomen en blijft een veilige ontruiming mogelijk.

Bij het uitvallen van de normale verlichting aan boord moeten trappen en hellingen verlicht blijven, zeker als deze deel uitmaken van een vluchtweg.
 
Als noodverlichting komen de volgende groepen voor:
  • Algemene noodverlichting
  • Transparantverlichting
  • Treden- of trapverlichting
  • Navigatieverlichting
  • Verlichting communicatie en navigatiemiddelen
  • Alarmsignalering
  • Geleide voorzieningen (looproute aanduiding)
Algemene noodverlichting dient om bij stroomuitval overal waar mensen verblijven de weg naar buiten te laten vinden. Transparantverlichting dient om de vluchtwegen, de uitgangen en de nooduitgangen aan te geven. Deze verlichting moet branden als er mensen in die (werk)omgeving aanwezig zijn. De achtergrondverlichting van transparant verlichting is altijd groen en de tekst of afbeeldingen zijn altijd wit. Transparantverlichting moet altijd zó zijn aangebracht dat het pictogram of de tekst direct in het zicht hangt.

Nachtvoorzieningen zijn aangebracht om tijdens donker of in werkruimten waar veel donkere hoeken zijn de looproutes te verlichten als de normale verlichting is uitgegaan. Vooral voor controles tijdens de donkere uren is het een nuttige verlichting.
 
De bedrijfshulpverlener (BHV-er)
In de Arbowet wordt gewezen op de algemene ver­plichting om in elk bedrijf of instelling een bedrijfs­hulpverleningsorganisatie te hebben. Verder worden hierin de taken op dit gebied en de eisen van deskundigheid van BHV-ers vastgesteld. Tevens moet de aanwezigheid van de BHV-er(s) gegarandeerd zijn, ook in geval van ziekte of verlof.

Specifieke sectoren in de binnenvaart kunnen specifieke eisen stellen aan de BHV-er. Zo stelt bij het vervoer van gevaarlijke stoffen het ADN(R) aanvullende eisen voor opleiding van brandbestrijding aan boord.

Voor de passagiersvaart is er ook een speciale regeling betreffende veiligheidspersoneel: Het Reglement Veiligheidspersoneel Passagiersvaart.
 
Externe hulpdiensten
Als resultaat van het overleg met de vaarwegbeheerders en havenautoriteiten over afstemming op het rampen- of rampenbestrijdingsplan kan in het bedrijfsnoodplan een overzicht worden opgenomen van het materiaal dat de hulpdiensten kunnen inzetten. Men kan hierbij denken aan de beschikbaarheid van slachtoffervervoer, artsen en aangewezen ziekenhuizen. Bij deze inventarisatie behoren ook regionale basisgezondheidsdiensten

Bij dit onderwerp is de publicatie “Waterrand, Handboek Incidentbestrijding op het Water” relevant.

 
Opleidingen en herhalingsoefeningen
Geen enkel scheepsbedrijfsnoodplan is compleet zonder training en periodieke oefeningen. De bedoeling hiervan is het testen van het plan en het verschaffen van zekerheid over de mate waarin de hulpverleners zijn voorbereid op een calamiteit. Opvarenden moeten op de hoogte te zijn van de alarmeringsprocedures.
 
 
Oefenen, voorbereiden en onderhoud
Procedures uit het scheepsbedrijfsnoodplan moeten worden geoefend en vervolgens regelmatig worden herhaald (apart en in combinatie). Het spreekt voor zich dat een dergelijke oefening moet worden geëvalueerd om de ‘zwakke punten’ eruit te halen en te verbeteren. Een veiligheidsrol kan een mooi opgezet plan zijn, maar als het in de praktijk niet werkt is het nutteloos. Daarom moeten de noodprocedures van de veiligheidsrol geoefend worden.

Omdat er in de binnenvaartsector met verschillende ladingen wordt gevaren, en er regelmatig andere mensen aan boord werken, is het belangrijk om de veiligheidsrol regelmatig te controleren en aan te passen aan de nieuwe situatie. Daarbij is het van belang om de kennis van de opvarenden op de voor hen essentiële punten te toetsen. Zo kan geconstateerd worden of er extra inspanningen nodig zijn om de bekendheid met de noodprocedures op niveau te houden.

Wanneer er nieuwe bemanningsleden aan boord komen die een andere taal spreken moeten zij direct instructie krijgen over de veiligheid- en reddingsmiddelen in een voor hen begrijpelijke taal. De te volgen procedures bij calamiteiten moeten tevens voor buitenlandse hulpverleningsdiensten begrijpelijk zijn. Dit zijn twee van de knelpunten waarmee de binnenvaart door het varen in internationale wateren wordt geconfronteerd.
 
Het oefenen van bemanning is erop gericht om:
  • De kennis en vaardigheden van de opvarenden op het gebied van bedrijfshulpverlening te toetsen.
  • Ieders bekendheid met het plan en de procedures te vergroten.
  • De veiligheidsrol te testen.
  • Niet voor onverwachte gebeurtenissen komen te staan in geval van calamiteiten.
Wanneer uit een oefening blijkt dat bepaalde zaken niet goed geregeld zijn, dient hierop actie te worden genomen. Bijvoorbeeld extra instructie, wijziging in de organisatie of verbetering van de veiligheidsvoorziening aan boord.
 
 
Medische verzorging
Medische verzorging tijdens incidenten maakt ook deel uit van het scheepsbedrijfsnoodplan. Hiermee wordt aangegeven hoe omgegaan wordt met:
  • Het inrichten van de verzamelplaatsen voor slachtoffers.
  • De organisatie van het vervoer van eventuele slachtoffers.
  • Het gebruik van de aan boord aanwezige faciliteiten zoals EHBO uitrusting.
 
Nazorg bij calamiteiten
Nadat een calamiteit tot een ontruiming van een schip heeft geleid, blijft waakzaamheid geboden. Er zijn ook regels voor het waarschuwen van de scheepvaart in de nabije omgeving. Aandachtspunten na calamiteiten en ontruiming zijn:
  • Melden en registratie van ongevallen aan officiële instanties.
  • Terughoudend zijn met mededelingen aan derden over de toedracht van de gebeurtenissen.
  • Na blootstelling aan gevaren medisch onderzoek van opvarenden.
  • Veilig stellen van de oorzaken van de calamiteit voor onderzoek.
  • Evaluatie maken met alle betrokkenen.
  • Rapportage opstellen van de uitkomsten van de evaluatie gericht op preventie.
  • Doorverwijzen van betrokkenen naar hulpverlenende instanties.(medisch onderzoek bij blootstelling gevaarlijke stoffen of begeleiding trauma’s).
  • Melding aan familie van betrokkenen.
Ga naar boven