Inleiding: wettelijke voorschriften

De wettelijke basis voor het risico verdrinken zijn de doelvoorschriften in artikel 3 en artikel 15 van de Arbeidsomstandighedenwet (Arbowet) en diverse artikelen in het Arbobesluit (onder andere artikel 3.2, 3.10 en 3.16). Bij de invulling van de doelvoorschriften van de Arbowet in de Arbocatalogus Binnenvaart is ook gekeken wat er staat in andere wettelijke regelingen – zoals onder andere het Binnenvaart Politie Reglement (BPR) -  die specifiek op de binnenvaart van toepassing zijn. Ook hierin zijn zaken geregeld ter voorkoming van verdrinking.

Artikel 3, lid e van de Arbowet schrijft voor dat doeltreffende maatregelen worden getroffen op het gebied van de eerste hulp bij ongevallen, de brandbestrijding en de evacuatie van werknemers en andere aanwezige personen, en doeltreffende verbindingen worden onderhouden met de desbetreffende externe hulpverleningsorganisaties. Het gevaar van verdrinken valt onder dit artikel.

Artikel 3, lid f van de Arbowet stelt dat elke werknemer bij ernstig en onmiddellijk gevaar voor zijn eigen veiligheid of die van anderen, rekening houdend met zijn technische kennis en middelen, de nodige passende maatregelen moet kunnen nemen om de gevolgen van een dergelijk gevaar te voorkomen, waarbij een werknemer conform artikel 29 van de Arbowet bevoegd is het werk te onderbreken. Voor de duur van de onderbreking behoudt de werknemer zijn aanspraak op het naar tijdruimte vastgesteld loon. De werknemer mag als gevolg van de werkonderbreking niet worden benadeeld in zijn positie in het bedrijf of in de inrichting

De kern van dit artikel is de zogenaamde "Arbeidshygiënische strategie". De kern hiervan is dat de werkgever bij zijn Arbobeleid er voor moet zorgen de gevaren bij de bron aan te pakken. Kan dit niet, of is dit technisch of praktisch onmogelijk, dan moet er vervolgens gekeken worden naar collectieve beschermingsmiddelen. Is het praktisch of technisch niet mogelijk hierin te voorzien, dan pas komen de persoonlijke beschermingsmiddelen (PBM’s ) aan de beurt.

De werkgever is hierbij verantwoordelijk voor optimale arbeidsomstandigheden, het verstrekken van voorlichting aan de  werknemers en het treffen van specifieke maatregelen om risico’s weg te nemen of te beperken. 

Een belangrijk artikel uit het Binnenvaartpolitiereglement en Rijnvaartpolitiereglement is “goed zeemanschap” (art.1.04 en 1.05). Hierin staat onder andere dat de werkgever, ook bij het ontbreken van uitdrukkelijke voorschriften, alle voorzorgsmaatregelen moet nemen die volgens goed zeemanschap en de omstandigheden nodig zijn om gevaarlijke situaties te voorkomen. Daarbij is het belangrijk dat in eerste instantie moet worden voorkomen dat opvarenden over boord vallen. 

Daarbij moet u op het volgende letten:
  • De weersomstandigheden
  • De manoeuvreermogelijkheden van het schip en andere schepen.
  • De stabiliteitstoestand van het schip.
  • De omstandigheden en de bijzonderheden van het vaarwater.
  • Het geven van instructies aan de werknemers over het juiste gebruik van een valbeveiliging en reddingsvesten. 

Aanvullende wettelijke voorschriften zijn te vinden in onderstaande wetten en besluiten:

  • Het Rijnvaartpolitie reglement (RPR, artikel 1.16) kent hiervoor ook voorschriften die de handelingen van de werkgever in geval van ongevallen vast moet leggen.
  • De Binnenvaartwet met bijbehorende bijlagen geven technische regels voor reddingsmiddelen, onderhoud en aanvullende voorzieningen, zoals veiligheidsprocedures per scheepstype.
  • Het Reglement Onderzoek Schepen op de Rijn (ROSR, artikel 10.05) geeft voorschriften voor reddingsmiddelen en onderhoud voor passagiersschepen met een certificaat van onderzoek.
Redden van drenkelingen (artikel 3.10 Arbobesluit)

Op arbeidsplaatsen waar gevaar voor verdrinking bestaat, moet dit gevaar zoveel mogelijk worden voorkomen en zijn doelmatige middelen voor het redden van drenkelingen op een goed zichtbare plaats beschikbaar. De Arbowetgeving beschouwt een schip als een arbeidsplaats. Als gevolg daarvan s is bijvoorbeeld een loopplank een toegangsmiddel tot een arbeidsplaats.


De werkgever is verantwoordelijk voor optimale arbeidsomstandigheden, het verstrekken van voorlichting aan de werknemers en het treffen van specifieke maatregelen om risico’s weg te nemen of te beperken. Het overboord raken moet op grond van artikel 3 van de Arbowet zo veel - in alle redelijkheid - als mogelijk is worden voorkomen. Dit kan door de volgende maatregelen te nemen:
  • Als het schip daartoe de mogelijkheid biedt een railing te plaatsen.
  • Zorg voor een net en opgeruimd dek.
  • Zorg voor, indien nodig, doelmatige verlichting.
  • Zorg voor een extra man aan dek ter assistentie van de werkzaamheden en voor aanwijzingen of alarmering naar diegene die het roer bedient.
  • Indien mogelijk een staaldraad over luik of langs de den van stuurhuis naar voorschip spannen, waaraan men zich bij werkzaamheden aan dek kan vastmaken (denk aan een doelmatig veiligheidsharnas).
  • Organisatorische maatregelen zoals niet lopen over onbekende, slecht verlichte kades of haventerreinen. Neem een lamp mee.
  • Eén hand voor jezelf en één voor het schip
  • Ook al is de kortste weg naar de poort van een haventerrein langs de kade, vermijd lopen langs de waterkant.
  • Plaats altijd een doelmatige loopplank. Vermijd klim- en klauterpartijen om aan de wal te komen. Is het absoluut technisch onmogelijk om een loopplank te plaatsen of veilig te gebruiken, bijvoorbeeld als het schip laag onder de kade ligt, zorg dan dat het alternatieve toegangsmiddel (bijvoorbeeld een ladder) minimaal dezelfde veiligheid waarborgt als een normale loopplank.
  • Laat op ruim water (bijvoorbeeld het IJsselmeer) in het donker bij voorkeur geen werkzaamheden aan dek uitvoeren. Een drenkeling terugvinden in roerig water in het donker is uiterst moeilijk.

Aanvullende wettelijke voorschriften zijn te vinden in onderstaande wetten en besluiten:

  • Het Rijnvaartpolitie reglement (RPR, artikel 1.16) kent voorschriften die de werkgever verplichten tot het vastleggen van handelingen in geval van ongevallen.
  • De Binnenvaartwet en de bijbehorende bijlagen geven technische regels voor reddingsmiddelen, onderhoud en aanvullende voorzieningen zoals veiligheidsprocedures per scheepstype
  • Het Reglement Onderzoek Schepen op de Rijn (ROSR) geeft voorschriften aangaande de uitrusting met reddingsmiddelen en het onderhoud hiervan. 
Ga naar boven