Elke gevaarlijke stof brengt een ander risico met zich mee. Het Arbobesluit bespreekt de gevaren en risico’s dan ook apart. Niet alleen het Arbobesluit staat uitgebreid stil bij gevaarlijke stoffen. Ook andere wet- en regelgeving aangaande gevaarlijke stoffen is van kracht.

De gevaarlijke eigenschappen worden onderverdeeld in gevarenklassen of gevarencategorieën. De vervoerswetgeving met betrekking op de binnenvaart, het ADN, spreekt van klassen. De wetgeving voor aflevering en gebruik van gevaarlijke stoffen spreekt van categorieën. De indelingen van beide wetten zijn niet precies dezelfde.

Onder gevaarlijke stoffen moeten we ook allerlei samenstellingen met gevaarlijke stoffen verstaan. Deze worden preparaten genoemd. Vanaf een bepaalde verdunning, die voor elk product verschillend is, behoeven preparaten niet meer als ‘gevaarlijk’ te worden aangemerkt.

Per 1 juni 2007 is de uitvoeringswet EG-verordening Registratie, Evaluatie en Autorisatie van Chemische stoffen (REACH) gedeeltelijk in werking getreden. Verdere bepalingen ten aanzien van gevaarlijke stoffen zijn opgenomen in hoofdstuk 9 van de Wet milieubeheer.

De VROM-inspectie, de Voedsel en Waren Autoriteit, de Inspectie Verkeer en Waterstaat en de Arbeidsinspectie gaan nauw samenwerken bij de handhaving van REACH. Voor werkgevers betekent dit dat men met één inspectiedienst voor REACH als aanspreekpunt en uitvoerder te maken krijgt. REACH is niet van toepassing op het vervoer van gevaarlijke stoffen over de binnenwateren.

Afhankelijk van de uitvoering van het bedrijfsproces is verschillende wetgeving van toepassing, zoals hieronder wordt aangegeven:

  • De Wet milieubeheer en REACH hebben betrekking op het gebruik van gevaarlijke stoffen voor onderhoud en schoonmaakwerkzaamheden aan boord.
  • De Wet vervoer gevaarlijke stoffen en het Accord Européen relatif au Transport International des Marchandises Dangereuses par voie de Navigation du Rhin (ADN) hebben betrekking op het vervoer van gevaarlijke stoffen.
  • Aangaande de opslag van gevaarlijke stoffen aan boord geven zowel de relevante binnenvaartwetgeving (Binnenschepenbesluit en ROSR) als het ADN richtlijnen voor inrichting van bijvoorbeeld gasbeunen en dekkisten met ontvlambare stoffen.
  • De afvalstromen aan boord (waaronder zich ook gevaarlijke stoffen bevinden) zijn sinds 1 november 2009 onderhavig aan het verdrag inzake verzameling, afgifte en inname van afval in de Rijn en binnenvaart; Raadpleeg hierover het “Handboek Scheepsafvalstoffen verdrag”.
  • Bij het ontstaan van vervuiling door lading spillage of lek raken van tanks na een ongeval gelden de regels van de Wet verontreiniging oppervlaktewateren.

De natuurlijke of rechtspersonen die met chemische stoffen omgaan moeten onder deze richtlijn, in overeenstemming met de beoordeling van de risico’s van hun stoffen, de nodige risicobeheersmaatregelen nemen en relevante aanbevelingen doorgeven in de toeleveringsketen. Dit houdt in dat risico’s in verband met de productie, het gebruik en de verwijdering van elke stof op passende en transparante wijze worden beschreven, gedocumenteerd en gemeld. Dit betekent dat de werkgever de verantwoordelijkheid krijgt om risico’s van deze producten in kaart te brengen en zo nodig maatregelen te nemen om mens en milieu te beschermen. Dit geldt voor fabrikanten van stoffen en preparaten als verf en reinigingsmiddelen, maar ook voor importeurs, distributeurs en professionele gebruikers. Het gebruik van gevaarlijke stoffen aan boord valt hier ook onder.

In de EG verordening (REACH) en de Wet milieubeheer worden verder de volgende zaken geregeld:

  • Een meldingsplicht voor alle nieuwe (gevaarlijke) stoffen die op de markt worden gebracht.
  • Regels voor de etikettering van gevaarlijke stoffen.
  • Regels voor de verpakking van gevaarlijke stoffen.
  • De verplichting van de producent om een veiligheidsinformatieblad beschikbaar te stellen.
  • Het verbod op werkzaamheden met bepaalde stoffen (bijvoorbeeld asbest). al enkele jaren is het voorhanden hebben van asbest verboden tenzij deze asbest zodanig is ingepakt door het vrijkomen van deeltjes uitgesloten is. Denk aan de isolatie van uitlaten van ketels en motoren.

Werken met gevaarlijke stoffen vereist dat werkgevers en werknemers goed geïnformeerd zijn over de risico’s van het werken met die stoffen. Een etiket op de stoffen geeft de eerste noodzakelijke informatie om er zonder nadelige gevolgen mee te werken. Wanneer een etiket ontbreekt op de verpakking van de stoffen moet je direct contact opnemen met de leverancier.

Een etiket moet voorzien zijn van:

  • Handelsnaam van de stof of het preparaat
  • De chemische benaming van de gevaarlijke stoffen
  • Bijbehorend symbool (gevaarsymbolen hebben voorgeschreven afmetingen en moeten zwart zijn met oranje-gele achtergrond)
  • Risk-zinnen (geven bijzondere gevaren aan)
  • Safety-zinnen (geven veiligheidsaanbevelingen )
  • De leverancier
  • Overige informatie
  • Duidelijke tekst (ook als de lading uit China komt?)

Verder moet een etiket:

  • Onuitwisbaar zijn
  • Goed zichtbaar zijn
  • Duidelijk leesbaar zijn
  • Stevig zijn aangebracht

Naast een etiket moet de  leverancier of verzender je ook een Veiligheidsinformatieblad (VIB) geven. De eisen voor verpakking en etikettering van gevaarlijke stoffen zijn beschreven in de artikelen 4.1c-1lid i en 4.112 van het Arbobesluit en in Beleidsregel 4.1.c-2.

Eén van de zaken die geregeld wordt in de Wet Milieubeheer is de herkenbaarheid van gevaarlijke stoffen. De Wet milieubeheer schrijft voor hoe de fabrikant of degene die de stof in Nederland invoert door middel van een etiket gevaarlijke stoffen herkenbaar moet maken. Gevaarlijke stoffen zijn dus altijd herkenbaar aan de verpakking. Het gevaar wordt door middel van een symbool aangegeven. 



Afbeelding: etiketten op verpakking 5

 

De etiketplicht uit de Wet Milieubeheer is niet van toepassing op:

  • Vervoer van gevaarlijke stoffen;
  • Gevaarlijk afval.
  • Voedingsmiddelen.
  • Cosmetica.
  • Bestrijdingsmiddelen.
  • Explosieven.
  • Geneesmiddelen.

Hiervoor is aparte wetgeving van toepassing, met afwijkende etiketplicht. Op geneesmiddelen behoeft bijvoorbeeld geen doodskop te staan.

Op het etiket staan ook de zogenaamde R- en S-zinnen vermeld. R(isico)-zinnen geven de bijzondere gevaren van de betreffende stof aan en de S(afety)-zinnen de veiligheidsaanbevelingen tegen die gevaren. Alle R- en S-zinnen hebben een nummer. Soms zijn alleen de nummers op het etiket vermeld. In het chemiekaartenboek en andere handboeken zijn de bijbehorende zinnen op te zoeken. Meestal staan de zinnen achter de nummers vermeld.

Productie, gebruik en vervoer van gevaarlijke stoffen zijn aan strenge voorschriften gebonden. Voor iedere gevaarlijke stof die in uw bedrijf geproduceerd dan wel gebruikt of vervoerd wordt gelden specifieke maatregels.

 

De toekomst
GHS, voluit Globally Harmonised System of Classification and Labelling of Chemicals is de nieuwe wijze van indeling, kenmerking en etikettering van  chemische stoffen en preparaten. Het systeem is ontwikkeld binnen de Verenigde naties en is gebaseerd op bestaande systemen uit verschillende delen van de wereld

De motivatie om te komen tot een internationaal eenduidig systeem is logisch; immers de verschillen per land in de aanduidingen en informatie met betrekking tot gevaarlijke stoffen waren soms erg groot; eenzelfde stof kon in één land als "giftig" aangemerkt zijn en in een ander land niet als een gevaarlijke stof aangezien worden. Ook in de veiligheidsinformatiebladen leidt dit tot onduidelijkheden; bedrijven moeten verschillende veiligheidsinformatiebladen maken voor verschillende delen van de wereld.

Het invoeren van een globaal geharmoniseerd systeem - GHS - moet deze hinderpalen voor de wereldhandel uit de weg ruimen. Nochtans blijven de specifieke symbolen voor het vervoer van gevaarlijke stoffen uit het ADR naast het GHS bestaan

De invoering van GHS in de EU zal gefaseerd gebeuren:

  • voor zuivere stoffen wordt het huidige systeem behouden tot 1 december 2010; voor mengsels en preparaten wordt het behouden tot 1 juni 2015. Het GHS-etiket mag wel eerder op vrijwillige basis worden gebruikt.
  • tussen 1 december 2010 en 1 juni 2015 worden stoffen ingedeeld volgens beide systemen, maar is het GHS-etiket verplicht.
  • vanaf 1 juni 2015 vervalt het huidige systeem van indeling en etikettering en is enkel het GHS geldig.

 

Biologische agentia
Biologische agentia is een verzamelnaam voor micro-organismen zoals schimmels, bacteriën, parasieten en virussen. Biologische agentia kunnen schadelijk zijn voor de mens.

In de binnenvaart kan men door een onzorgvuldig beheer van het drinkwater met legionella besmet worden. Biologische agentia kunnen een infectie, een allergie, vergiftiging of kanker veroorzaken. Voorbeelden van andere ziekten die door biologische agentia veroorzaakt kunnen worden zijn voedselvergiftiging, diarree en malaria. In het Arbobesluit hoofdstuk 4 afdeling 9 worden biologische agentia apart naast gevaarlijke stoffen genoemd.

Daar de werking van biologische agentia op de gezondheidstoestand van het lichaam dezelfde uitwerking kan hebben als vergiftiging is het van belang om het gevaar van deze besmetting in deze catalogus te benoemen. De grootste kans om met biologische agentia in aanraking te komen is aan boord van binnenvaartschepen is door besmetting van drinkwater met legionella en het eten van bedorven voedsel in het bijzonder niet koel genoeg bewaarde vlees of vis. Het legionella beheersplan wordt later in een apart onderdeel van de Arbocatalogus uiteen gezet en oplossingen voor dit probleem worden daarin benoemt.

Informeer bij leveranciers van gevaarlijke stoffen, bij uw arbodienst of een gespecialiseerde adviseur naar veilige opslag, veilig gebruik en veilig vervoer van gevaarlijke stoffen.

Ga naar boven