Inleiding: de wettelijke voorschriften

Basis van deze arbocatalogus zijn de wettelijke doelvoorschriften in artikel 3 en artikel 15 van de Arbo-wet en diverse artikelen in het Arbobesluit. De invulling van de doelvoorschriften van de Arbo-wet hebben in deze arbocatalogus een nauwe samenhang met andere wettelijke voorschriften die specifiek op de binnenvaart van toepassing zijn en die van invloed kunnen zijn voor een branchespecifieke invulling van de Bedrijfshulpverlening (BHV).

Lid e van artikel 3 van de Arbo-wet schrijft voor dat doeltreffende maatregelen moeten worden genomen op het gebied van eerste hulp bij ongevallen (zie definitie scheepsongeval).

Lid f van artikel 3 van de Arbo-wet stelt dat de werkgever dusdanige maatregelen moet nemen dat iedere opvarende bij ernstig en onmiddellijk gevaar voor zijn eigen veiligheid of die van anderen, rekening houdend met zijn technische kennis en bekwaamheid en de beschikbare middelen, de nodige passende maatregelen kan nemen om de gevolgen van een dergelijk gevaar te voorkomen. Hierbij dient de opvarende gewezen te worden op het in acht nemen van de eigen veiligheid.

Artikel 15 van de Arbo-wet is afgestemd op artikel 8 van de EU Richtlijn 89-391-EEG. Belangrijk uitgangspunt bij de aanpassing is dat de werkgever zelf meer ruimte krijgt, en moet nemen, voor de invulling van de organisatie van de bedrijfshulpverlening. Daartoe zijn ondermeer de volgende wijzigingen doorgevoerd. ‘het voorkomen en beperken van ongevallen’’ is gewijzigd in het beperken van de gevolgen van ongevallen, waarbij het voorkomen van ongevallen als taak van de bedrijfshulpverleners is geschrapt.

Aanvullende wettelijke voorschriften zijn te vinden in onderstaande wetten en besluiten:

  • Het Rijnvaartpolitie reglement (RPR, artikel 1.16) kent hiervoor ook voorschriften die de handelingen van de schipper in geval van ongevallen vast leggen.
  • Het Binnenschepenbesluit en de bijbehorende bijlagen geven technische regels voor veiligheidsuitrusting, onderhoud en aanvullende voorzieningen zoals veiligheidsprocedures per scheepstype.
  • Het Reglement Onderzoek Schepen op de Rijn (ROSR) geeft voorschriften aangaande veiligheidsuitrusting en onderhoud voor schepen met een certificaat van onderzoek.

Specifieke doelvoorschriften vindt men in Hoofdstuk 2, afdeling 2, artikelen 2.2 t/m 2.5 van het Arbo-besluit “Aanvullende voorschriften risico-inventarisatie en –evaluatie ter voorkoming en beperking van zware ongevallen met gevaarlijke stoffen”.

Belangrijke uitzonderingen zijn beschreven in artikel 2.44 van het Arbobesluit. In dit artikel worden de uitzonderingen op de voorschriften van afdeling 2 voor arbeid verricht op een binnenvaartuig beschreven. Hier geldt het principe van voorrang van Lex specialis (speciale wetgeving) boven Lex generalis (algemene wetgeving). Zo is voor vervoer van gevaarlijke stoffen over de binnenwateren al het ADN met de specifieke maatregelen en voorzieningen van toepassing. Wel kan de uitkomst van de geëiste maatregelen dienst doen als een basisdocument (input) voor de BHV.

 

Bedrijfshulpverlening (BHV)

De werkgever (schipper) is in het kader van de Arbo-wet als eerste verantwoordelijk voor de BHV binnen het bedrijf. Hij dient hierbij rekening te houden met de aanwezigheid van anderen dan de eigen werknemers. Bij het samenwerken met andere bedrijven, bijvoorbeeld bij het overslaan van goederen of tijdens reparatie bij een werfperiode dienen afspraken gemaakt te worden over alarmering en over de praktische inzet van BHV-ers.

BHV is een onderdeel van het arbobeleid en vloeit voort uit de restrisico’s van de branchegerichte RI&E. Door voorzieningen te treffen zoals compartimentering, branddetectie, blusmiddelen en blusinstallaties, brandvertragende materiaal en nooduitgangen die tevens hun grondslag vinden in de vigerende wetgeving voor de binnenvaart kunnen de brand- en ongevalrisico’s verder worden beperkt.

In het verlengde hiervan moet de werkgever (schipper) de opvarenden doeltreffend inlichten over de wijze waarop de voorzieningen zijn ingericht. Om hier invulling aan te geven kan de werkgever (schipper) uitleg geven over de aanwezige veiligheidsmiddelen en het juiste gebruik en de beperkingen hiervan. Aanvullend kan de werkgever informatie geven over de wijze waarop de overige opvarenden en de andere scheepvaart kan worden gealarmeerd bij een dergelijk gevaar.

BHV completeert het veiligheidsbeleid aan boord van een schip. Ook partijen als verzekeringsmaatschappijen leveren een bijdrage aan het verhogen van de veiligheid op dit vlak aan boord. Door het vrijwillig en kosteloos laten uitvoeren van een schade preventief onderzoek (SPO) waarin de brand en veiligheidstechnische inrichting wordt beoordeeld is inzicht te verkrijgen in de risico’s op het gebied van constructieve veiligheid.

 

Bedrijfshulpverlening: de werknemers

De werkgever (schipper) laat zich ten aanzien van de naleving van de verplichtingen om maatregelen te treffen bijstaan door een of meer werknemers die door hem zijn aangewezen als bedrijfshulpverleners.

Het aantal bedrijfshulpverleners dat een werkgever aanwijst hangt samen met de grootte van het bedrijf, het aantal medewerkers en de specifieke risico’s aan boord, en is dus ook een kwestie van maatwerk. Op basis van de gegevens die voortvloeien uit de RI&E zal kenbaar worden hoeveel bedrijfshulpverleners er in een organisatie aan boord moeten worden aangesteld. Er zullen voldoende bedrijfshulpverleners aangewezen en zo nodig opgeleid moeten worden zodat, rekening houdend met ziekte, vakanties of continudiensten op elk moment voldoende hulpverleners aan boord aanwezig zijn.

De Arbo-wet vereist dat bedrijfshulpverleners beschikken over een zodanige deskundigheid, ervaring en uitrusting, en zodanig in aantal zijn en zodanig georganiseerd dat zij bij het verlenen van bijstand de genoemde taken naar behoren kunnen vervullen.

Passagiersschepen hebben vanuit het ROSR of vanaf 1 januari 2009 vanuit de Binnenvaartwet volgens het Artikel 15.13 lid 1 t/m 4 de verplichting om de veiligheidsorganisatie goed in te richten.

Om in geval van calamiteiten adequaat te kunnen opereren zal het nodig zijn het kennisniveau van de bedrijfshulpverleners op peil te houden. Dit betekent (afhankelijk van onder meer de complexiteit van de bedrijfsactiviteiten) dat er regelmatig na en/of bijscholing van bedrijfshulpverleners zal moeten plaatsvinden. Ook kunnen de vaardigheden op peil worden gehouden door het regelmatig organiseren van oefeningen aan boord.

Ga naar boven