Onder gevaarlijke stoffen verstaan we hier alle stoffen, die gevaarlijk zijn voor mens of milieu.

Risico’s

In de binnenvaartsector kan men naast eventuele gevaarlijke lading aan boord met de volgende (milieu) gevaarlijke stoffen in aanraking komen:

  • Brandstoffen
  • Smeerolie en vetten
  • Koelwatertoevoegingen (vriespuntverlagers en zuurstofbinders)
  • Reinigingsmiddelen, ontvetters (elektrocleaner, trichloorethyleen (tri))
  • Bijtende stoffen (accuzuur)
  • Gassen (acetyleen, propaan, zuurstof, kooldioxide (CO2))
  • Verven (loodijzer-menie, zinkfosfaatprimer, dekverf).
  • Oplosmiddelen (thinner en aceton)
  • Radioactieve stoffen (in metaalschoot).

Een mens kan op onderstaande wijze aan gevaarlijke stoffen worden blootgesteld:

 

Opname in het lichaam

Er wordt gesproken van opname in het lichaam als de stof in het bloed wordt opgenomen. Of een stof na blootstelling en opname in het bloed vergiftigingsverschijnselen geeft of niet hangt echter niet alleen van de stof af. Vooral de dosis speelt een belangrijke rol. Om te bepalen of een stof giftig of schadelijk is, worden experimenten met bacterien en proefdieren uitgevoerd.

Elk proefdier krijgt een bepaalde zeer kleine dosis van een stof toegediend. Wanneer 50% of meer van de proefdieren overlijdt, wordt de stof giftig genoemd. Overlijdt er minder dan de helft van de proefdieren, dan wordt de proef nogmaals herhaald met een hogere dosis om op dezelfde wijze te bepalen of de stof schadelijk genoemd moet worden of niet. Hoewel er vele manieren zijn waarbij een persoon kan worden blootgesteld, zijn er drie manieren waarop een stof in ons lichaam kan binnendringen:

 

Via de ademhaling

Via de ademhaling kunnen we stof, gas damp en nevel binnen krijgen. Sommige stoffen beschadigen de longen en de luchtpijp meteen, andere stoffen werken pas na veel langere tijd.

Een voorbeeld van een stof die direct werkt is zoutzuur, de damp tast de longen zeer snel aan. Asbest is een stof die pas veel later werkt. De tijd tussen inademen en de gevolgen (longkanker) kan soms wel tientallen jaren duren.

De mens beschermt zichzelf van nature tegen het inademen van stof. In de neus zitten haartjes die de grootste deeltjes wegfilteren. Iets kleinere deeltjes blijven plakken aan het slijm in de luchtpijp. Nog kleinere deeltjes blijven steken aan de ingang van de longblaasjes. De kleinste deeltjes kunnen echter zelfs tot in de longblaasjes doordringen en hier in de bloedsomloop worden opgenomen.

 

Via de spijsvertering

De opname van gevaarlijke stoffen via de spijsvertering is bijvoorbeeld eten in een vuile omgeving, waar veel stof is, en eten met vuile handen of met vies bestek. Ook sigaretten draaien en oproken, kauwgom kauwen, snoepen en medicijnen innemen, moeten we niet in een vuile omgeving of met vuile handen doen. Vooral vloeibare en vaste stoffen nemen we op via de mond. Dat kan gebeuren doordat het eten of drinken besmet is met gevaarlijke stoffen (bijvoorbeeld door etenswaren aan boord te bewaren in een herft in de buurt van verf of chemicaliën (onverpakte voedingsmiddelen zoals groente en fruit kunnen sommige schadelijke dampen opnemen).

Via de huid

Door de huid nemen we bepaalde vloeistoffen op. Een voorbeeld hiervan zijn oplosmiddelen. De huid heeft een beschermlaagje dat vet is. Door oplosmiddelen verdwijnt dat laagje. Daardoor kunnen die stoffen door de poriën van de huid heen in het bloed terechtkomen. Een voorbeeld van een dergelijk stof is benzeen. Benzeen zit o.a. in benzine, deze stof kan jaren later kanker veroorzaken. Daarom kan het gevaarlijk om de huid met mogelijk benzeen bevattende ontvettende middelen schoon te maken.

Opname via de huid kan ook via werkkleding die nog reststoffen kan bevatten van vorige werkzaamheden. Bij aanraking van de huid met stoffen in de kleding kunnen deze stoffen alsnog tot ernstige reacties leiden. Denk om deze reden ook bij werkzaamheden in de machinekamer voor het regelmatig wisselen en weggooien van poetsdoeken in de daarvoor bestemde speciaal gemarkeerde afvalbak.

 

Afbeelding: afval emmer voor poetsdoeken

 

Besmetting door de huid is gemakkelijk te voorkomen door de juiste kleding te dragen: overall, dichte schoenen en vooral de juiste handschoenen. Met handschoenen kun je contact met een giftige stof voorkomen. Bovendien worden uw handen minder vuil, zodat je ze niet met oplosmiddelen hoeft schoon te maken.

Er zijn twee manieren waarop besmetting door de huid nog sneller gaat. De eerste is via een open wond(je). Zelfs door het kleinste wondje kunnen stoffen direct in het bloed terechtkomen. Mede daarom is het zo belangrijk dat je iedere verwonding meteen laat behandelen en schoonmaken.

De tweede manier is besmetting door de slijmvliezen. Die zijn dun en vochtig. Hierdoor laten ze veel makkelijker stoffen door dan de rest van de huid. Slijmvliezen hebben we bij de ogen, de neus, de mond en de geslachtsdelen. Kom dus niet aan deze lichaamsdelen met vuile handen (ogen uitwrijven, toiletbezoek).

 

De gevolgen van blootstelling

Hoeveel schadelijke stof het lichaam uiteindelijk opneemt, hangt onder andere af van:

  • De concentratie van de stof, zie grenswaarde.
  • De duur van de blootstelling.
  • Het oppervlak van de huid dat in aanraking is geweest met de gevaarlijke stof.
  • De plaats van aanraking (dikte van de huid).
  • De temperatuur (een hoge temperatuur veroorzaakt een snellere opname via de huid, omdat de poriën verder openstaan).
  • De zwaarte van het werk (zwaar werk veroorzaakt een snellere en diepere ademhaling, waardoor meer gif wordt ingeademd).

 

Afbeelding: giftige stoffen

 

De werking van giftige stoffen varieert nogal. We onderscheiden twee soorten vergiftiging:

  • Acute vergiftiging; na eenmalige blootstelling aan een giftige stof, waarbij de verschijnselen over het algemeen snel merkbaar zijn.
  • Chronische vergiftiging; na langdurige en herhaaldelijke blootstelling aan een giftige stof of eenmalige blootstelling aan een stof die pas na lange tijd de schadelijke uitwerking openbaart. De schadelijke gevolgen zijn pas na jaren merkbaar.

Over het algemeen kunnen we een onderscheid maken in: systeem- en contactwerking en in een specifiek of a-specifiek effect van een gif.

 

Systeemwerking

Van systeemwerking is sprake wanneer een stof het lichaam binnendringt en via het bloed de werking van bepaalde organen gaat verstoren. Bijvoorbeeld het zenuwstelsel of de hersenen.

 

Contactwerking

Van contactwerking is sprake wanneer de stof niet door het bloed ge­transporteerd wordt, maar direct invloed heeft op de werking van de huid, ogen, slijmvliezen, keel en luchtwegen. Veel allergiën zijn het gevolg van contactwerking.

 

Specifieke effecten

Specifieke effecten zijn effecten van een giftige stof die slechts door een stof veroorzaakt wordt. Zo is Asbestose een specifiek effect van asbest.

 

A-specifieke effecten

A-specifieke effecten zijn effecten die door meerdere stoffen veroorzaakt kunnen worden. Wanneer a-specifieke symptomen optreden is het lastig om te bepalen welke stof verantwoordelijk is voor deze symptomen. De volgende verschijnselen zijn algemene vergiftigingsverschijnselen en zijn daarom ook a-specifieke effecten zoals:

  • Hoofdpijn
  • Duizeligheid
  • Misselijkheid
  • Braakneigingen
  • Hartkloppingen
  • Benauwdheid en wazig of dubbel zien

Verder kunnen giftige stoffen de volgende ernstige gevolgen hebben:

  • Carcinogene werking; Dit wil zeggen dat de stof kankerverwekkend is.
  • Mutagene werking; Mutagene stoffen veranderen de erfelijke eigenschappen, waardoor afwijkingen kunnen ontstaan bij het nageslacht, zie ook de lijst metmutagene stoffen.
  • Reprotoxische werking; Deze stoffen zijn schadelijk voor het ongeboren kind.

Bijtende stoffen

Bijtende of corrosieve stoffen kunnen bij contact materiaal aantasten. Zo kunnen zuren metaal aantasten. Ook levend weefsel kan door een bijtende stof zo aangetast worden dat het afsterft of zelfs volledig oplost! Bijtende stoffen tasten de huid, de ogen en de luchtwegen aan. Het etiket dat bij deze categorie hoort, getuigt daarvan.

Bijtende stoffen verschillen nogal in hun bijtende eigenschap. Sommige stoffen zorgen ervoor dat weefsel afsterft, anderen irriteren alleen maar. In bepaalde gevallen gaat de bijtende stof dwars door je huid heen en vernietigt het weefsel eronder. Soms tot op het bot! Sommige stoffen hebben bovendien de eigenaardige eigenschap dat je niet meteen een hevige pijn voelt. Soms prikt of jeukt het een beetje. De pijn komt naderhand als het te laat is! Accuzuur is hier een voorbeeld van.

Bijtende stoffen kunnen we in twee hoofdcategoriën onderverdelen: zuren en logen. Beide stoffen zijn even gevaarlijk. Zuren en logen zijn elkaars tegengestelden. Als je een zuur en een loog bij elkaar mengt, heffen ze elkaars bijtende werking op. Dit gaat meestal gepaard met een heftige reactie (borrelen, spatten, warmteontwikkeling) en de ontwikkeling van (gevaarlijke) gassen.

Als een bijtende stof met bepaalde andere stoffen in aanraking komt, kunnen gevaarlijke gassen ontstaan. Deze gassen kunnen giftig, schadelijk, ontvlambaar, irriterend, of zelfs bijtend (corrosief) zijn. Bijtende stoffen kun je in allerlei vormen tegenkomen, als vloeistof, maar ook als damp, gas of als vaste stof (korrels, schilfers of poeder).

Bij het werken met bijtende stoffen moeten extra beschermingsmaatregelen getroffen worden. Bij het werken met accu's kan men met het daarin aanwezige zwavelzuur in aanraking komen.

 

 

Afbeelding: blootstelling aan accuzuur

Ga naar boven